De lijst onder de tafel Milan zit vandaag in een klein café. Over tien minuten gaat zijn bus naar huis. Hij drinkt koffie en kijkt naar buiten. Onder zijn tafel ligt een korte lijst. De woorden zijn met de hand geschreven. Er staat: zwarte koffie, raam, bus zes. Naast de lijst ziet Milan een zwarte tas. Hij pakt de tas en staat op. Hij loopt naar de vrouw achter de tafel. “Is deze tas van u?” vraagt hij. “Nee, die tas is niet van mij.” “Wie zat hier voor mij?” “Een vrouw zat daar,” zegt Noor. “Ze had veel haast.” “Had ze zwarte koffie?” vraagt Milan. Noor kijkt naar de lijst. “Ja, ze vroeg om zwarte koffie.” “Zat ze bij het raam?” “Nee, ze zat eerst bij het raam.” “Waarom zat ze later hier?” “Daar lag haar telefoon bij de deur.” Milan kijkt naar de eerste woorden. Zwarte koffie klopt dus. Maar het raam is de tweede plaats. “Waar is de tafel bij het raam?” Noor wijst naar de andere kant. “Daar, naast de grote plant.” Milan loopt naar die tafel. Op de grond ligt een klein papier. Er staat alleen: kaart voor bus zes. “Is dit ook van die vrouw?” vraagt Milan. Noor komt erbij staan. “Ja, ze zocht haar kaart.” “En daarna ging ze weg?” “Ja, ze zei: mijn bus gaat zo.” Milan kijkt op zijn telefoon. Zijn bus gaat over acht minuten. “Gaat bus zes naar het hotel?” vraagt hij. “Nee, bus zes gaat naar het station.” “Waar staat bus zes?” “Voor het café, aan de andere kant.” Milan neemt de tas en loopt naar buiten. Een bus staat klaar in de straat. Op het raam staat een groot cijfer zes. Een vrouw praat met de man bij de deur. Haar handen zoeken in haar jas. “Mijn kaart zit in mijn tas,” zegt ze. “Maar mijn tas is weg.” Milan houdt de zwarte tas omhoog. “Is deze tas van u?” De vrouw kijkt direct naar de tas. “Ja, waar vond u die?” “Onder mijn tafel in het café.” “Lag daar ook een lijst?” “Ja, zwarte koffie, raam, bus zes.” De vrouw pakt de lijst uit zijn hand. “Dat is mijn plan voor vanmorgen.” “Waarom lag het tweede papier bij het raam?” “Ik zocht daar mijn kaart,” zegt ze. “Toen belde mijn zoon.” “En u liet de tas onder mijn tafel.” “Ja, dat deed ik blijkbaar.” De man bij de deur kijkt op zijn telefoon. “We gaan over één minuut.” De vrouw pakt haar tas stevig vast. “Dank u, u hebt mijn reis gered.” Milan wijst naar de bus erachter. “Mijn bus staat ook klaar.” “Welke bus neemt u?” vraagt ze. “De bus naar huis,” zegt Milan, en hij rent.