De markt Een vrouw woont pas drie weken in Utrecht. Zij heeft een kleine keuken en kent bijna geen woorden. Vanavond komt de buurvrouw eten, maar de markt sluit bijna. De vrouw staat bij een tafel. De man achter de tafel kijkt naar haar. Zij wijst naar de kaas. Zij kent het woord niet. “Dit, alsjeblieft,” zegt zij. De man pakt een klein stuk en legt het voor haar. Het is geen kaas. Het is een appel. “Nee,” zegt de vrouw. “Niet dit.” Zij wijst weer naar de kaas. “Dat?” vraagt de man. “Ja. Dat, alsjeblieft.” De man pakt een grote tas. Hij legt de tas voor haar. De vrouw kijkt naar de tas. De man kijkt naar de vrouw. Hij lacht zacht. “Nee,” zegt zij. “Niet dat.” Zij wijst weer. Nu wijst zij lang naar de kaas. “Deze?” vraagt de man. “Ja. Deze. Alsjeblieft.” De man pakt een groot stuk brood. Hij legt het naast de tas. Nu kijkt de vrouw naar het brood, de tas en de kaas. De man kijkt ook. Hij zegt niets. De vrouw zegt: “Nee. Nee.” De man pakt de kaas zelf. Hij houdt de kaas hoog. Hij kijkt naar de vrouw. “Rustig,” zegt hij. “Kaas.” De vrouw kijkt naar zijn mond. Zij zegt: “Kas.” “Bijna,” zegt de man. “Kaas.” “Kaas,” zegt de vrouw. “Ja,” zegt de man. “Kaas.” “Kaas,” zegt de vrouw. Nu zegt zij het goed. De man doet de kaas in haar tas. Hij pakt nog een kaas. Die doet hij ook in haar tas. “Deze is voor jou,” zegt hij. “Geen geld.” De vrouw kijkt naar de tweede kaas. “Geen geld?” vraagt zij. “Geen geld,” zegt de man. “Dank u,” zegt de vrouw. “Dank u.” De man geeft haar de tas. Zij geeft hem geld. Hij telt het geld en geeft haar iets terug. “Goed,” zegt hij. “Alles goed.” “Goed,” zegt de vrouw. Zij houdt de tas met twee handen vast. Buiten loopt zij naar huis. De straat is bijna leeg. In de tas liggen twee kazen. Onderweg zegt zij: “Kaas.” Bij haar deur staat zij stil. Zij kijkt naar de tas en zegt: “Kaas.” De buurvrouw staat boven aan de trap.