De markt De vrouw is vandaag in Utrecht. Zij woont pas enkele weken in de stad. Haar kleine keuken heeft bijna niets. Vanavond komt een buurvrouw bij haar eten. De markt gaat over een uur dicht. De vrouw kent bijna geen woorden. Zij wil kaas kopen voor het eten. Maar zij kent het woord kaas niet. Zij kan het woord kaas ook niet zeggen. Zij staat met haar tas voor de verkoper. De kaas ligt voor hem op de tafel. Zij wijst naar de kaas. "Alsjeblieft," zegt zij. De verkoper kijkt naar haar hand. Hij geeft haar een brood. "Nee, geen brood," zegt de vrouw. Zij wijst weer naar de kaas. "Dit?" vraagt de verkoper. "Ja, dit," zegt zij. De verkoper geeft haar een fles melk. De vrouw kijkt naar de melk in haar hand. "Nee, geen melk," zegt zij. De verkoper wacht rustig op haar. Hij kijkt weer naar haar hand. "Nog een keer?" vraagt hij. "Ja, alsjeblieft," zegt de vrouw. Zij wijst naar de kaas op de tafel. De verkoper pakt een grote rode appel. Hij legt de appel in haar tas. De tas is nu zwaar. De vrouw kijkt naar de tas. "Nee, nee," zegt de vrouw. Zij wijst weer naar de kaas. De verkoper lacht zacht en zegt niets. Hij pakt nu zelf de kaas. Hij houdt de kaas voor haar gezicht. "Kaas," zegt de verkoper langzaam. De vrouw kijkt naar zijn mond. "Kaaz," zegt zij. "Kaas," zegt de verkoper vriendelijk. "Kaas," zegt de vrouw. De verkoper legt de kaas in haar tas. "Hoeveel?" vraagt de vrouw. "Twee euro," zegt de verkoper. De vrouw geeft hem één euro. Zij kijkt in haar tas en vindt niets. Dan geeft zij hem nog één euro. "Ja, twee euro," zegt de verkoper. Hij doet een tweede kaas in haar tas. "Nee, nee," zegt de vrouw. "Ja, voor jou," zegt de verkoper. "Dank je," zegt de vrouw. Zij doet de tas dicht en loopt naar huis. "Kaas," zegt zij op straat. Bij haar deur zegt zij: "Kaas." De buurvrouw staat boven aan de trap.