De stroopwafel op de koffie Een stroopwafel bestaat uit twee dunne, ronde wafels met stroop ertussen. De buitenkant is droog en stevig, maar de stroop is zacht en zoet. Voor het deeg worden meestal bloem, boter, suiker, melk en een ei gebruikt. In de stroop zitten suiker, boter en vaak een beetje kaneel. Het deeg gaat in een heet wafelijzer en wordt daar dun gebakken. Zolang de warme wafel nog zacht is, wordt hij in twee dunne delen gesneden. Daarna gaat de warme stroop op het ene deel. Het andere deel komt erbovenop, en beide delen worden tegen elkaar gedrukt. Als de stroopwafel koud wordt, worden de wafels harder en wordt ook de stroop steviger. De stroopwafel komt uit Gouda, een stad in Zuid-Holland. In de negentiende eeuw bakten en verkochten bakkers in Gouda deze wafels. Zo werd de stroopwafel een bekend product van de stad. Het is niet zeker welke bakker de eerste stroopwafel maakte. Wel bleef de naam van Gouda sterk met de stroopwafel verbonden. Later werden stroopwafels in andere plaatsen gemaakt en in winkels door het hele land verkocht. In Nederland wordt een stroopwafel vaak bij koffie of thee gegeten. Op markten worden ook grote, verse stroopwafels verkocht, die nog warm zijn. Een stroopwafel uit een pak is meestal kleiner en kouder. Daarom leggen veel mensen hem eerst op een hete kop koffie. De stroopwafel ligt dan op de rand en sluit een groot deel van de kop af. De warmte en de lucht boven de koffie blijven onder de wafel hangen. Daardoor wordt de stroop langzaam warm en zacht. Ook worden de twee wafels iets minder hard, zonder meteen uit elkaar te vallen. De koffie hoeft de stroopwafel dus niet te raken. Na korte tijd wordt de stroopwafel omgedraaid, zodat ook de andere kant warm wordt. Wie te lang wacht, krijgt een erg zachte onderkant en stroop aan de vingers. Na ongeveer een minuut gaat de warme stroopwafel van de kop af en wordt hij boven het bord in twee stukken gebroken.