De laatste man In Amsterdam staat Jan op de boot. Hij brengt mensen naar de andere kant. Vandaag werkt Jan alleen. Hij wil op tijd weg. De boot ligt al aan de kant. Piet komt aan. Hij komt op twee wielen. Hij is weer de laatste man. Jan ziet hem en wacht. “Ben ik te laat?” zegt Piet. “Ja,” zegt Jan. “Je bent weer de laatste.” “Ga je nog?” “Ik ga nog.” “Mag ik mee?” “Je mag mee.” Piet gaat op de boot. Jan doet de deur dicht. Piet zet zijn twee wielen bij zich. Er staan al mensen. Niemand zegt iets. “Waarom kom je altijd als laatste?” vraagt Jan. “Ik moet eerst naar mijn werk.” “Je werk is aan de andere kant.” “Ja. Daarom moet ik met jou mee.” “Waarom kom je dan zo laat?” “Ik ben thuis om zeven uur.” “En dan?” “Dan moet ik eten.” “En daarna?” “Dan moet ik mijn kind zien.” “En daarna?” “Dan ga ik naar mijn werk.” Jan kijkt naar het water. De boot gaat weg. Piet staat naast zijn twee wielen. De mensen zitten stil. “Je bent vaak de laatste,” zegt Jan. “Dat weet ik.” “Op een dag ga ik weg.” “Dat weet ik ook.” “Vandaag ga ik niet weg.” “Dank je.” De boot komt aan de andere kant. De mensen gaan naar buiten. Piet blijft nog even staan. “Jan,” zegt hij, “ik heb iets voor je.” “Wat heb je?” Piet geeft hem een klein stuk brood. “Voor later,” zegt Piet. “Ik heb geen eten,” zegt Jan. “Nu heb je eten.” Jan doet het brood in zijn zak. Piet gaat van de boot. Hij kijkt naar de tijd boven de deur. “Hoe laat ga je terug?” vraagt Piet. “Over tien minuten.” “Wacht je dan weer?” “Ben je weer de laatste?” “Ja.” Jan doet de deur open. Piet komt weer op de boot. Deze keer staat hij niet alleen. Hij heeft zijn twee wielen al binnen. “Je bent vroeg,” zegt Jan. “Een beetje,” zegt Piet. De boot gaat terug. Jan eet zijn stuk brood.