De laatste slag Mara staat aan de rivier in Utrecht, met haar handen om haar telefoon. Haar team zit al in de boot, maar Daan blijft naast haar staan. Hij is haar beste roeier, en samen hebben ze nog nooit een regatta verloren. “Waarom kijkt het andere team steeds naar jou?” vraagt Mara. Daan trekt zijn jas dicht. “Ze kijken naar de boot.” “Ze geven mijn teken voor de snelle start.” “Veel teams gebruiken hetzelfde teken.” Mara laat een video op haar telefoon zien. Op het beeld zit Daan in de boot van het andere team. “Dit was vannacht,” zegt ze. Daan kijkt naar het water. “Ik gaf ze alleen wat training.” “Mijn training.” “Zij betaalden mij, en ik had het geld nodig.” “Je had het mij kunnen vragen.” “U zegt altijd dat het team boven alles komt.” De andere boten gaan naar de start, en een agent roept hun nummer. Mara stopt haar telefoon weg. “Ga zitten,” zegt ze. “We praten na de regatta.” Daan stapt in de boot en pakt zijn roeiriem. Zijn gezicht is wit, maar zijn handen blijven rustig. Bij het eerste teken starten beide teams precies tegelijk. Mara rijdt langs de rivier en roept haar vaste woorden. “Lang. Rustig. Nu sneller.” Het andere team verandert op hetzelfde moment van slag. Daan kijkt één keer opzij en trekt daarna harder. Na vijf minuten hangt zijn mond open. Zijn armen bewegen nog, maar zijn rug wordt steeds lager. “Niet alleen trekken,” roept Mara. “Blijf samen.” Daan vindt het ritme terug, en de boot komt dichterbij. Bij de laatste lijn ligt het andere team een halve boot voor. Voor het eerst verliest Mara een regatta. Daan valt achterover en houdt zijn arm tegen zijn borst. De andere roeiers helpen hem uit de boot. “Het spijt me,” zegt hij. “Ik kan het geld teruggeven.” Mara kijkt niet naar de winnaar. Ze pakt zijn roeiriem en legt die op de grond. “Geld is niet het probleem,” zegt ze. “Mag ik morgen komen?” Mara geeft hem zijn jas. “Kom om zeven uur, zonder boot.”