Bram is bijna op tijd Vandaag moet Bram de grote klok maken. De klok staat in zijn kleine werkplaats. Om twaalf uur komt Els voor haar huwelijk. Bram heeft dat beloofd. Hij kijkt naar de klok aan de muur. De klok staat stil. Bram kijkt naar zijn eigen klok. Die loopt twee uur terug. Hij pakt een schroevendraaier. Dan klopt iemand op de deur. „Bram, ben je klaar?” vraagt Els. „Ja,” zegt Bram. „Ik ben bijna klaar.” „Het is al twaalf uur.” „Dan ben ik zeker bijna op tijd.” Els kijkt naar de grote klok. „Deze klok doet niets.” „Dat is niet goed,” zegt Bram. „Dat is juist het probleem.” Bram haalt de klok van de muur. Hij legt haar op tafel. Er vallen drie kleine delen uit. „Zijn die nodig?” vraagt Els. „Nee,” zegt Bram. „Niet voor de klok.” „Waar zijn ze dan voor?” „Dat weet ik nog niet.” Els kijkt naar de deur. „De mensen wachten.” „Wie wachten?” vraagt Bram. „Iedereen.” „Ook de man van de muziek?” „Ook de man van de muziek.” Bram kijkt naar zijn klok. „Dan hebben we nog tijd.” „Jouw klok loopt twee uur terug.” „Dat is goed nieuws.” „Waarom?” „Omdat ik nog twee uur heb.” Els pakt zijn klok. „Deze klok loopt juist twee uur voor.” Bram kijkt lang naar de klok. „Dat is minder goed nieuws.” Er komt een klant binnen. Hij houdt een klok in zijn hand. „Bram, mijn klok staat stil,” zegt de klant. „Dat gebeurt vaak,” zegt Bram. „Kun je haar maken?” „Ja.” „Wanneer?” „Morgen.” Els doet de deur dicht. „Vandaag moet je werken.” „Vandaag werk ik ook,” zegt Bram. „Je werkt aan drie klokken.” „Dat is veel werk.” De klant kijkt naar Els. „Is hij altijd zo?” „Hij is altijd laat,” zegt Els. „Ik ben niet laat,” zegt Bram. „De tijd is vroeg.” De grote klok begint plotseling te lopen. Zij slaat twaalf keer. Iedereen kijkt naar de klok. „Zie je wel,” zegt Bram. „Op tijd.” Els kijkt naar buiten. Op straat staan de mensen al bij de deur. „Bram, kom je nu?” vraagt zij. „Ja,” zegt Bram. „Ik kom meteen.” Hij pakt zijn jas en zijn eigen klok. Dan blijft hij staan. „Wat is er?” vraagt Els. „Mijn klok is weg.” De klant houdt de klok omhoog. „Bedoel je deze?” Bram kijkt naar de klok. „Ja. Hoe laat is het?” „Twee uur,” zegt de klant. Bram kijkt naar de grote klok. „Dan zijn we te vroeg.” Els opent de deur. „Nee, Bram. We zijn te laat.” Bram doet de deur achter zich dicht. De klok op tafel begint weer te lopen.